retour home
retour boek overzicht

Het is nu geen kinderspel meer,
met wedstrijden van 180 kilometer

Speler Wielrennen Mike Alloo
retour overzicht
boek
   
 

‘Er zijn werkers en plakkers in de wielrennerij’

 

Mike Alloo

 

Hij is negentien jaar en weet precies wat hij wil: fietsen, autorijden en prof worden. En precies in die volgorde. Mike Alloo uit Roosendaal is nu nog wielrenner bij de neo-amateurs. Maar dat gaat veranderen. Weet hij zeker. Niet voor niets zegt hij liever  dat hij rijdt bij de ‘beloften’ dan bij de neo’s.
Zijn moeder komt er toch maar even bijzitten als hij zijn verhaal gaat doen.
,,Mike is niet zo’n prater”, zegt ze. Maar dat valt alles mee.


,,Weinig praten? Dat ligt er aan” , zegt Mike. ,,Bij  mensen die ouder zijn, houd ik me meestal wel in. Zo ben ik opgevoed. Maar je zou me eens met mijn vrienden moeten horen of tijdens de koers! In een wedstrijd moet je nu eenmaal een grote bek durven geven, anders komt het niet goed. Je moet je positie kiezen, bij wijze van spreken desnoods met fietsen smijten, en zeker niet aan de kant gaan. De laatste 500 meter mag je niet meer van je lijn gaan, dat is waar, maar verder is er niets sportiefs aan. Een zadeltje vasthouden, een arm beetpakken… Wie niet sterk is, moet slim zijn.”

,,Toch ben ik over het algemeen wel sportief, vind ik. Ik ben een echter stoemper. Er is verschil tussen plakkers en werkers in de fietserij, vind ik. Sommigen zijn zo gek als een deur, maar af en toe in de wedstrijd vooruit rijden, dat doen ze dan niet.  Werkers zijn de echte rijders, plakkers laten altijd anderen het werk doen. Als je zelf niet zo’n instelling hebt, is dat zwaar irritant. Aan de andere kant: voor een deel hebben ze gelijk. Ik kom er nu ook achter dat ik moet leren er niet meteen in te vliegen.
Ik bedoel, het is nu geen kinderspel meer. Nu krijg ik wedstrijden van 180 kilometer voor de kiezen, dan moet je wel leren om je krachten te sparen.” 

Mike fietst sinds zijn zesde jaar. Hij begon op een huurfietsje, dat vijf gulden per maand kostte, bij de ‘wilde’ Roosendaalse wielerclub Steeds Vooruit. Die naam heeft hij eer aan gedaan. Al heel snel werd hij gescout voor de nationale selectie. De successen bleven niet uit. Hij werd in bijna alle categorieën kampioen van West-Brabant. Wielrennen zit hem in de genen. ,,Mijn vader was ook wielrenner, en best een goede. Hij is alleen te laat begonnen, dus toen is hij er maar weer mee opgehouden.”
Mike heeft nu al meer overwinningen behaald dan zijn vader. Natuurlijk zijn dat vooral prijzen uit zijn periode als jeugdrijder, bij de nieuwelingen en de junioren.
Zo won hij als junior de Draai van de Kaai. De eerste keer tenminste, het jaar daarop moest hij afstappen vanwege pech.  De laatste keer dat hij meereed in de Draai was als belofte. Hij werd dertiende. Zijn moeder vind het een hele prestatie. Uiteindelijk reden maar 16 renners van de 120 de wedstrijd uit. Maar Mike is niet tevreden. ,,Ik had meer willen doen,  want de Draai is toch een soort thuiswedstrijd. Ik ben op de Kade geboren en woon nog steeds in de buurt. Maar ja, die dag reed ik gewoon slecht”,  geeft hij ruiterlijk toe. Sowieso wordt het zwaarder nu.

,,Ik ben natuurlijk verwend, door alle overwinningen die ik haast op mijn sloffen behaalde.  Maar dat wil niet zeggen dat ik blasé ben geworden. Weet je waardoor ik echt ontroerd raakte? Toen Eddy Merckx mij persoonlijk de prijs overhandigde bij de Grote Prijs Eddy Merckx in Brussel. Wat hij toen zei, zal ik nooit vergeten: ‘ Als je een dergelijke wedstrijd op zo’n manier kunt winnen, dan heb je heel wat in je.’
Ik ken het nog steeds uit mijn hoofd! Zo’n compliment uit de mond van zo’n grootmeester. Daar ga ik voor! De fiets die ik toen won, heb ik omgeruid voor een crossfiets. Ik had namelijk al een goede fiets van mijn wielerploeg. Dus dit seizoen ga ik ook eens wat veldritten maken, niet om nog een extra winterseizoen te rijden, maar om wat in conditie te blijven. Hoewel, als je kijkt naar Sven Nijs en Richard Groenendaal…. Het zou kunnen, die kunnen het ook.  You never know.
Maar voorlopig concentreer ik me op het gewone wielrennen. Nu bij de neo’s wordt de concurrentie groter en ook de training is steeds intensiever. Als het er op aankomt is wielrennen nu echt mijn werk geworden. En mijn werk? Dat beschouw ik nu als mijn hobby.”

Negentien jaar is Mike Alloo en hij weet precies wat hij wil. Dat zijn hobby hem voorlopig wel de meeste inkomsten zal bezorgen, is mooi meegenomen. Net als zo veel leeftijdsgenoten is hij volkomen verslingerd aan het autorijden. ,,Als ik niet zo gek van wielrennen was, zou ik het misschien wel als autocoureur willen proberen.”
Bij zijn werkgever, het Roosendaalse taxibedrijf Groen, komt hij dan ook volledig aan zijn trekken. Niet om te scheuren, want Mike rijdt voornamelijk veel ritjes op de  deeltaxi, maar ook voor grotere ritten wordt hij ingeschakeld. ,Als ik achter dat stuur zit, dan voel ik me echt geweldig”, zegt hij.
Ook in de taxi heeft Mike zijn mondje klaar. ,,Je leert op die manier ook wel mensen kennen, al kom je bij die deeltaxiritjes toch meestal niet verder dan ‘wat een weertje toch hè’. Laatst moest ik iemand naar Gent brengen, dat was een interessante rit. Een bijzondere man, met een raar hoedje op, en vreemde kleren. Normaal gesproken zou je zo’n man misschien een beetje raar aankijken, per slot van rekening kost zo’n ritje toch het een en ander. Maar het viel mee. Het was een Engelsman, die ook een beetje Frans sprak. Dat vond ik extra leuk, omdat mijn vader van oorsprong ook Fransman is. Zo kon ik mijn Frans een beetje ophalen. We hebben anderhalf uur lang best prettig met elkaar zitten praten. Zo zie je maar weer, iedereen heeft zijn sympathieke kanten, of hij zich nu stoer voordoet of niet.”

,,Het ‘echte’ leven verschilt wel van de wielerwereld, dat begrijp ik nu steeds beter. Als het er op aankomt is het een monnikenleven, niets dan trainen, op je gewicht letten en koersen rijden. Eerlijk is eerlijk, daar kan ik niet helemaal aan voldoen. Als ik terugkom van een training – en ik train echt serieus - dan zou je daarna niets meer mogen doen. Dat is niets voor mij, ik moet even weg dan, even rijden met de auto, naar mijn vriendin, of naar mijn oma.
Om die reden vind ik het ook prettig dat ik overga van de wielerploeg Pallmans Collstrop naar Bert-Story-Piels. Ik denk dat ik daar beter inpas. Pallmans was geen slechte ploeg, maar bij Bert-Story-Piels ga ik een mooier programma rijden en het zijn ook allemaal Nederlandse ploeggenoten. Het zijn ook allemaal jongens die op mij lijken, jongens die hard werken voor hun sport maar toch ook nog de lol van het leven kunnen zien.

Het maakt ook uit wat voor soort fietser je bent.  Als je geen klimmer bent, dan kun je dat wel trainen, maar je loopt de kans dat je je sprintkwaliteit verliest. Het is zaak om dat evenwicht te vinden in de training. Nu klinkt het alsof ik misschien niets voor de sport overheb. Dat is niet waar. Anders was ik het afgelopen seizoen toch geen vier kilo afgevallen, ook al ben ik nog steeds geen lichtgewicht. Maar ik ben nu op hetzelfde gewicht als Indurain toen hij de Tour de France won. Of ik de Tour wil rijden? Laat ik eerst maar eens proberen prof te worden en laat ik eerst maar eens proberen om een eendaagse klassieker te winnen. Parijs-Roubaix bijvoorbeeld, Gent-Wevelgem of Luik-Bastenaken-Luik, die wil ik winnen!
Ik heb mijzelf een deadline gegeven. Binnen drie jaar moet het duidelijk zijn dat ik het ga redden in de profsport. Zoniet, dan hang ik mijn fiets aan de wilgen! Ik ga niet doelloos bij de amateurs rijden.”
Dat is het eerste moment dat zijn moeder ingrijpt. ,,Ach wat, daar geloof ik niets van”, zegt ze stellig. ,,Dat zeg je nou, maar jij blijft heus wel rijden.”
Mike kijkt schuin opzij. ,,Nou, misschien ook wel, fietsen is inderdaad wel heel erg leuk!”

 

 

 

 

 

 

 

 
december 2004
retour overzicht
boek
retour home
   
   
   
   
   
   
r